Marjolein
|
Eigenschap |
Kweek |
Oogsten en drogen |
Gebruik |
| Marjolein (Origanum majorana). Er zijn diverse soorten marjolein. De marjolein behoort tot de oudste kruiden die gebruikt worden. De marjolein behoort tot de lipbloemigen. De echte marjolein is een eenjarige is de meest populair soort en heeft een zoete smaak. Oorspronkelijk komt de marjolein uit Afrika, maar de Romeinen brachten de plant naar het westen. De wilde marjolein (oregano genaamd) is een vaste plant met een uitgesproken sterke smaak met een pikante bijsmaak. De wilde marjolein, wordt voornamelijk in Italiaanse, Spaanse en Mexicaanse gerechten gebruikt. De echte marjolein is in tegenstelling van de wilde marjolein, een semi-winterharde plant. De echte marjolein wordt ongeveer 40 centimeter hoog. De bladeren zijn ovaal, puntig en donkergroen. Oregano bloeit van juli tot september met witte of roze bloemen. Wanneer de marjolein bloeit wordt hij massaal bezocht door de bijen. | De echte marjolein is zeer gevoelig voor vorst en moet daarom alleen op het warmste en meest beschutte plakje gaplant worden, die de tuin te bieden heeft. Marjolein heeft een tamelijk rijke grond met verteerd compost nodig. De echte marjolein moet in in maart of april in bakken worden gezaaid. Halverwege mei, kan de marjolein worden verspeend in de volle grond. De wilde marjolein of oregano, groei eveneens het beste op een zonnige plaats. Tijdens de wintermaanden, is het raadzaam om wortel af te dekken. Het vermeerderen, kan middels scheuring, stekken en zaad. | De bladeren en de bloemen van de marjolein
kunnen tot september worden geplukt. Voor droging moet de marjolein tot
minimaal 6 centimeter boven de grond worden afgesneden en een paar
blaadjes moeten aan de plant blijven zitten. Indien mogelijk het oogsten
van het kruid rond 10.00 uur 's morgens. Rond dat tijdstip zijn er de
meeste vluchtige oliën aanwezig in de plant. De marjolein is zeer
geschikt voor droging, omdat de aroma tijdens het drogen voller wordt.
|
Koude voorgerechten: tomaten cocktail, gevulde paddenstoelen, schaaldieren. Salades: hele kleine hoeveelheden in kipsalade en groene salade's Eieren & kaas: omeletten, roerei, gevulde eieren en kaassaus. Soepen, stoofschotels en sauzen: in uien-, tomaten-, erwten-, bonen-, kippe-, aardappelsoep en mosselsoep. Klein takje in stoofschotels. Vlees en vis: voor het braden het vlees (rund, varken, lam) inwrijven. Vis voor in de oven insmeren of takje toevoegen in het kookvocht. Gevogelte en wild: gevogelte (kip, eend, kalkoen) inwrijven voor het bakken en braden. Groente: In het kookwater voor: wortelen, erwten, spinazie, courgettes, aubergines, tomatengerechten, linzen, alle peulvruchten of welke aardappel bereiding dan ook.
|